|
Carl Rogers (1902-1987) was klinisch psycholoog en samen met Abraham Maslow grondlegger
van de
humanistische psychologie. Elementen van zijn gedachtegoed zijn terug te vinden bij vrijwel alle
huidige vormen
van gesprekstherapie. Zijn humanistische ideeën zijn ontstaan uit een afkeer van autoriteit wat in verband te
brengen is met zijn opvoeding waarin een strenge geloofsleer centraal stond.
Rogers stelt dat de cliënt zelf in staat is om te bepalen wat het doel is van de therapie.
De cliënt staat centraal, niet de therapeut met zijn theorieën en technieken. Psychotherapie dient
een cliënt te helpen om als persoon te groeien zodat het actuele probleem zelfstandig aangepakt kan worden.
De therapeut heeft slechts een ondersteunende rol en dient hiertoe aan drie basishoudingen te voldoen.
Deze zijn: echtheid van de therapeut in relatie tot de cliënt,
onvoorwaardelijke acceptatie van de cliënt en empathie.
Rogers ziet psychotherapie vooral als een waarachtige en betrokken ontmoeting van twee mensen.
Rogers propageert een optimistisch mensbeeld. Hij heeft het volste vertrouwen in de
groeimogelijkheden van een individu. Hij stelt dat het verlangen naar persoonlijke groei aangeboren is
maar dat de realisatie van dit verlangen door allerlei redenen gestagneerd kan zijn.
Rogers onderscheidt binnen elk individu drie processen: voelen, denken en handelen.
Met handelen wordt het communicatieve handelen verstaan.
De wisselwerking tussen voelen, denken en handelen dient op elkaar afgestemd te zijn met de nadruk op voelen.
Bij mensen die in psychotherapie gaan wordt verondersteld dat een of meerdere van deze processen vastgelopen zijn.
De cliënt ervaart hierdoor een gevoel van 'onecht' wat belemmerend werkt op
de persoonlijke groei.
Voor meer informatie over Carl Rogers klik
hier.
|